Rb Den Haag 22 december 2025: artikel 9 VN-Vrouwenverdrag (nationaliteit) heeft rechtstreekse werking

Op 22 december 2025 heeft de meervoudige kamer van Rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht, geoordeeld dat artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag rechtstreekse werking heeft. Dit artikel bepaalt dat vrouwen gelijke rechten hebben als mannen om een nationaliteit te verkrijgen, te behouden en door te geven aan hun kinderen.
Eiser is een man, geboren in 1962  en wonende in Ierland, die het Nederlanderschap wil verkrijgen, verwerende partij is de minister van Buitenlandse Zaken. Eiser is in het gelijk gesteld.
De uitspraak heeft zaaknummer SGR24/9477 22, is op 12 januari 2026  gepubliceerd op Rechtspraak.nl: ECLI:NL:RBDHA:2025:25577. De advocaat van de eiser, Flip Jansen, had de uitspraak eind december al geanonimiseerd op zijn LinkedIn-pagina gezet. Daarop is onderstaande gebaseerd.

Uitgebreide samenvatting:
Eisers moeder had bij haar geboorte in 1940 het Nederlanderschap verkregen en eisers vader bij geboorte in 1932 de Franse nationaliteit en bovendien, na onafhankelijkheid van Madagascar in 1960 ook die van dat land. Door te trouwen (1961) met eisers vader verloor eisers moeder de Nederlandse nationaliteit en verkreeg die van Madagascar. Het Nederlanderschap heeft ze een paar jaar later herkregen door het afleggen van een optieverklaring, echter zonder terugwerkende kracht.
Eiser heeft de Franse nationaliteit en wil ook de Nederlandse verkrijgen. Hij beroept zich er op dat zijn moeder Nederlandse was. De Nederlandse ambassade in Ierland heeft dit verzoek afgewezen omdat de moeder tijdens zijn geboorte niet de Nederlandse nationaliteit bezat.

Eiser stelt dat de betreffende bepalingen uit de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap strijdig zijn met artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag. Omdat zijn moeder bij haar huwelijk automatisch de Nederlandse nationaliteit verloor kon ze die ook niet doorgeven aan haar kinderen.
In r.o. 5 verklaart Rechtbank Den Haag zijn beroep gegrond: het bestreden besluit is in strijd met artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag, dat Staten die partij zijn bij het verdrag verplicht om te zorgen dat vrouwen op gelijke voet met mannen een nationaliteit verkrijgen en dergelijke. Het tweede lid van artikel 9 gaat specifiek in op de verplichting dat vrouwen op gelijke voet als mannen hun nationaliteit moeten kunnen overdragen.
Vervolgens geeft de rechtbank in r.o. 7 – 7.4  een bevestigend antwoord op de vraag of artikel 9 van het Vrouwenverdrag rechtstreekse werking heeft. Gewezen wordt op de vaste rechtspraak dienaangaande, met een verwijzing naar de uitspraak van de CRvB over de uitkeringsrechten van de zwangere zelfstandigen ECLI:NL:CRVB:2017:2461. De bepaling in het VN-Vrouwenverdrag is voldoende concreet en laat geen ruimte voor keuze of beleidsvrijheid. Het recht van het kind (de nationaliteit te verkrijgen) is voorts direct verbonden aan het recht van de moeder  (om de nationaliteit op gelijke voet als vaders door te geven).
In r.o. 8 – 8.2 legt de rechtbank uit waarom de betreffende bepalingen van de Wet op het Nederlanderschap strijdig zijn met artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag,

Al in 2006 wezen Betty de Hart, Hermie de Voer en Stans Goudsmit in een artikel in het NJB op de strijdigheid met het VN-Vrouwenverdrag: Latente Nederlanders: Discriminatie van Nederlandse moeders in het nationaliteitsrecht.